UIT DE MEDIA

 

Bertus Hutten bepaalt eigen fokbeleid

Hij ging met de buurman mee om een paar kalveren in Lochem te kopen. Bertus Hutten uit Beilen raakte in gesprek met de Gelderse veehouder en die tipte later de redactie: “Besteed ook eens aandacht aan een trouw LTO-lid met een bijzondere hobby.” En die hobby is Witte geiten fokken.

In Nederland zijn zo’n 400 Witte geitenfokkers, aangesloten bij de Nederlandse Organisatie voor de Geitenfokkerij. Volgens geitenfokker Bertus Hutten zijn er fokkers met enkele geiten en met tientallen geiten. Zelf heeft hij acht geiten in de voormalige varkensstal staan. “Maar ik denk dat ik volgend jaar naar tien volwassen geiten ga.”
Die uitbreidingsplannen zijn nog nieuw voor zijn vrouw, Sjoukje. Ze kijkt hem wat verbaasd aan. “Dat hadden we nog niet afgesproken?” Maar eigenlijk vindt ze het ook wel best.
De van oorsprong uit Heerenveen afkomstige Sjoukje Voolstra laat later zelf in de stal zien welke twee geiten mogen blijven. “Die andere is te klein, die gaat weg.” Dat haar man twee geiten erbij neemt, is misschien ook maar goed. Sinds 25 juli is hij met de vut. “Ik moet hem ook niet iedere dag in huis hebben.”
 
De omschakeling van boer, veeverzorger naar tuinman en begeleider was in het begin voor veehouder Hutten niet gemakkelijk. “Je wilt eerst nog op de oude voet verder. Als iets gedaan moet worden, dan direct diezelfde dag. Op de GGZ leer je dat niet iedereen dat aankan. Ik ben er zelf ook rustiger door geworden.”
Foto: Nieuwe Oogst

Passie
Bertus, die op zesjarige leeftijd uit het Overijsselse Lutten naar Beilen vertrok, en Sjoukje hadden tot 1982 een melkveebedrijf met vleesvarkens. Het bedrijf lag ingeklemd tussen andere bebouwing en boerderijen. Uitbreiding was eigenlijk geen optie. Hoewel zijn passie eigenlijk bij de koeien lag en nog ligt.
De koeien gingen weg en in 2000 verdwenen ook de laatste varkens. Bertus was in 1982 begonnen als tuinman en begeleider van patiënten bij de GGZ in Beilen. “Een baan die prima te combineren viel met de varkenshouderij. ’s Morgens voeren, zeven minuten fietsen naar mijn werk, tussen de middag thuis eten en ’s avonds weer de stal in.” De eerste geit liep toen ook al op het bedrijf. Eigenlijk op initiatief van de oudste dochter Ilona. “Zij wilde een witte geit, of een witte pony of een wit konijn, als het maar wit was.” Het werd een geit, wit maar geen goede fokgeit. “Ze had een mooi uier maar met de nakomelingen wilde het maar niet lukken.” De geit ging na zeven jaar weg.

Hutten had inmiddels al wel de smaak te pakken gekregen. De liefhebberij voor het fokken had hij al bij de koeien ontwikkeld, en nu kon hij die bij de geiten uitoefenen. Hij kocht een mooi keurstamboek bokmoeder Viola. “Op basis van het exterieur, de uier en de melklijst zou deze goede bokjes kunnen voortbrengen.”
Twee jaar later kocht hij nog twee geitjes. “Het waren zusjes met de naam Jetske. Eén daarvan is nog kampioen geworden.”
De drie geiten vormden de basis van de fokkerij op de Riethoeve. De geiten dragen de namen Viola of Jetske.

Op de vraag hoe Hutten zijn fokbeleid uitzet, haalt hij het Fokboek Witte Geiten 2007 tevoorschijn. Een lijvig boekwerk met lijsten, namen van fokkers, geiten en bokken. “Ik kijk naar de afstamming, naar de grootouders en dan maak ik een keuze welke bok of geit wil ik.” Volgens Hutten maken fokkers al voor dat er een geit of bok geboren is de keuze. “We kopen soms op voorhand, reserveren als het waren een geit of bok.”

Stoel
Andere fokkers komen soms bij Hutten om op voorhand te mogen kiezen. “Soms willen ze zelf bepalen welke bok er op welke geit komt. Maar dat gaat niet. Ze mogen bij mij op de stoel komen zitten om koffie te drinken, maar ik bepaal mijn eigen fokbeleid”, vertelt hij met een glimlach.
Zo trof Hutten het met een jong aangekocht bokje, Gerko 3. “Daar heb ik goed mee gefokt. En ook Hircus Lambertus heeft het goed gedaan.”

In één van zijn eigen boeken zoekt hij de gegevens op van één van zijn geiten, Kniertjes Viola. De afstammingslijn gaat terug naar 1975. “De afkomst van de geit is bij de fokkerij belangrijk en mooi om te zien. De waarde van Stergeiten in de voorouders zie je vaak terugkomen.”
Dankzij het ‘eigenzinnige’ fokbeleid heeft de Riethoeve al meerdere mooie geiten voortgebracht. Op de Nationale keuring wist Hutten in de categorie eigenaarsgroep al twee keer de tweede plaats te halen. “Met twee extra geiten hoop ik een nog mooiere groep samen te kunnen stellen.”

Buiten
Genoeg gepraat, waar zijn de geiten? Met enige trots, en nadat de schoenen zijn ontsmet, laat Hutten Riethoeve Viola 61 zien, een tweejarige geit. Op de Nationale CW-geitenkeuring in Utrecht kreeg ze van de jury 1A en Viola 62 1B.
Hutten houdt de geiten in de voormalige zeugenstal. Iedere geit heeft een ruim bemeten hok met vers stro en voldoende daglicht tot haar beschikking. Ze zijn gewend om getoond te worden. Gewillig laat Viola 61 zich aanlijnen en naar buiten voeren. Ze staan alsof ze wil laten zien dat ze de mooiste is.

Toch is Hutten altijd voorzichtig. “Geiten raken snel gestrest van iets nieuws. Bijvoorbeeld als iets niet in de dagelijkse gang van zaken past, zoals een geluid, andere mensen, ander voer of ander ritme.”
Hij voert de geiten vier keer per dag. “Nu krijgen ze steeds vers voer.” Hij begrijpt dat grote melkgeitenhouders soms twee keer daags voeren. “Dat is een totaal andere wereld dan bij de hobbyhouder.”

Nut
Het nut van deze hobby is in de eerste plaats de sport en de strijd tussen de verschillende fokkers. Hutten: “De fokkers vormen met elkaar een grote familie, buiten de ring. Maar in de ring vindt de sportieve strijd plaats.”
Samen met de andere fokkers probeert hij de Witte geit op een nog hoger niveau te krijgen. “Bijvoorbeeld wat betreft het beenwerk het de uier. Wij proberen eigenlijk alles, het typische, in de Witte geit te stoppen. Zo gaat iedere geit met een bruin vlekje eruit.”

Hutten beseft dat het nut van de fokkerij voor de grote melkveehouderijen minder wordt. “Die kijken natuurlijk vooral naar de melk. In principe hebben ze ons niet nodig, maar we maken wel over en weer gebruik van elkaar.” Probleem is volgens de Drentse fokker vooral dat de kleine fokkers te weinig geiten voortbrengen voor de grote jongens. “Maar af en toe leveren we natuurlijk ook een goede bok.”

Financieel nut heeft de hobby ook nauwelijks. “De hobby kost meestal geld. Ik heb eens een jaar mooi rond gedraaid, maar meestal moet er geld bij.” Een mooi geit- of boklam wil nog wel eens 150 euro opbrengen.
Het gaat Hutten niet om het geld. Zijn passie voor de geit gaat bijna voor alles. “De basis is een goede verzorging en voeding.” “En tijd”, vult Sjoukje aan. “Hij laat een avondje mannenkoor schieten, als er iets met de geiten is.”
 

Willem Dijkema,
Nieuwe Oogst, 27 oktober 2007

.

WWW.WITTEGEITEN.ORG