REPORTAGE

 

Bertus Hutten
Dagelijks vier uur in de weer met geiten
 
Zijn eerste geit kocht Bertus Hutten uit het Drentse Beilen in de vorige eeuw. Om precies te zijn in 1980 op de Schoter markt. De geit was voor zijn oudste dochter die alleen maar witte dieren wilde. Een witte pony, een witte koe en dus ook een witte geit.

In 1988 begon de fokkerij serieuze vormen aan te nemen. Van Piet Greeve uit Overijssel kocht hij Kniertjes Viola en twee jaar later in Friesland van Riekele Bosma Jetske 1 en 2 van het Lege Eind.
Deze geiten zijn het uitgangsmateriaal waarmee Bertus en later ook zijn dochter Noortje een foklijn opzetten die er wezen maag.
De Jetskes en Viola’s van de Riethoeve staan elk keuringsseizoen, ook bij de regionale en landelijke keuringen, in de bovenste rregionen van de uitslagenlijsten.
Hoe krijgen ze dat op de Riethoeve voor elkaar? Geitenhouderij toog naar het noorden van het land en sprak met de gastvrije familie Hutten.
Bertus en Sjoukje Hutten in de stal
 
Moederlijn
“Iedere fokker weet precies wat hij wil”, aldus Bertus. “Een beste geit met een best uier en goed op de benen. De meeste fokkers hebben daarover wel dezelfde gedachten. Maar de één wil dat op de ene manier bereiken en de ander doet het helemaal niets. Ik kijk heel veel naar de moederlijn. En daarmee heb ik een paar keer geluk gehad. Er kwam uit wat ik verwachtte.
Gerko 3 die ik van Gerard Koekkoek uit Lemelerveld heb gekocht bijvoorbeeld, heeft het hier erg goed gedaan. Hij heeft in één keer de uiers en benen enorm verbeterd. Maar er zaten dan ook goede uiers en goeie benen achter bij zijn moeder. Hij was gewoon een prima keus.
Als je later kijkt wat Gerko 3 op andere bedrijven deed dan was dat toch wel iets minder dan hier. Hier klikte het.

Maar ook de opfok is belangrijk. Er zijn mensen die beweren dat het onderdeel wel tachtig procent van de fokkerij is. Je moet er intensief mee bezig zijn. Wij voeren de lammeren bijvoorbeeld tot een leeftijd van zes of zeven weken individueel. Anders weet je niet wat ze opnemen.
De oude geiten krijgen twee keer per dag voer, hun rantsoen bestaat tijdens de lactatie uit A-brok, kuil, hooi, voederbieten en vers gras”.

Het boek
Bertus is degene de selectie van de bokken doet. Soms gebruikt hij een bokje uit zijn eigen fokkerij. Hij vindt het verstandig om een enkele keer met je eigen bloed in te telen. “Gebruik maar eens een bokje uit je beste geit, dat kan verrassend goede resultaten opleveren”.
Als er vreemd bokkenbloed moet komen, begint Bertus Hutten met een bezoek aan de moeder van de bok. “Als de moeder niet sterk op de benen is of het in de uier laat zitten, is het al snel duidelijk. Als het dier een minpuntje heeft wat je bij je eigen geiten niet aantreft, kun je wel een keertje wagen.
Ik vind dat we toe moeten kijken naar geiten met een beter vooruier. Kijk maar eens naar de Amerikaanse koeien. Op dat punt is in Nederland nog veel verbetering mogelijk”.
 
  Toch blijft Bertus bescheiden: “Als ik mijn verhaal zo vertel, lijkt wel alsof ik het allemaal weet. Dat is natuurlijk niet zo. Ook ik moet gokken. Want dat komt er altijd bij kijken. Je moet je er zoveel mogelijk in verdiepen.
Als je die oude Kniertjes Viola ziet, daar zitten alle goeie lijnen in. Daar zit Leonard 2 in en Sweachmer Egbert en geiten van Marijke Hoekstra en Klaas Jongschaap. Er zitten maar liefst twaalf Stergeiten achter. Daarom heb ik haar ook gekocht. Ze was toen net KS geworden. Met zo’n geit kun je verder fokken”.
Bertus Hutten besteedt veel tijd aan het
uitzoeken van de stamboom

Certificaat
Een paar jaar geleden trof de familie Hutten een kleine ramp. Drie van hun geiten bleken na jaren vrij te zijn geweest van de CEA. In één klap verdwenen de drie beste geiten uit de stal. Bertus: “Toen heb ik wel even een dip gehad. Eén van die drie, Viola 7, was als éénjarige nog kampioen in Utrecht, in 1998. Dat is toch een mooie prestatie. En dan zoiets”.
Een keuringsseizoen was verloren en de stal leger dan de bedoeling was. Gelukkig konden de positieve en twijfelachtige voor het leven worden verkocht aan een fokker die niet certificaatwaardig werkt.
Het is de familie Hutten nog steeds een raadsel hoe de CAE de stal is binnengekomen, maar gelukkig is de schade tot dat ene jaar beperkt gebleven en draait de Riethoeve weer volledig mee in het keuringsgebeuren.

Productie
Het gemiddelde van de productie op de Riethoeve is ongeveer 1300 kilogram melk met 4,20 % vet en 3,25 % eiwit. Dat is ook wel nodig vindt Bertus. “Het eiwit zou ik nog wel een beetje hoger willen hebben. Ik vind dat je als hobbyfokker moet proberen geiten te fokken die interessant zijn voor grote bedrijven. Het gemiddelde daar ligt vaak op 900 tot 1000 kilogram per geit per jaar. Een geit met een hoge productie kan dus de beroepsgeitenhouder verder helpen. Wij verkopen dan ook vaak materiaal aan grote bedrijven. Op die manier kan de hobby kostendekkend zijn”.
Dat de uren dan kennelijk niet berekend worden, vinden de Huttens kennelijk gewoon. Daarom is het dan ook hobby.
De melk wordt gebruikt om een kalf op te fokken. Voor kaasmaken en dergelijke tijdrovende activiteiten ontbreekt de tijd.

Keuringen
Bertus, zijn vrouw Sjoukje en hun dochter Noortje zijn vaak op keuringen te zien. Daar kun je veel van leren en interessante ontwikkelingen zie je daar het eerst.
Helaas is dit seizoen door de MKZ-crisis eigenlijk helemaal verloren, maar Bertus blijkt een aarts optimist: “Misschien geeft dat volgend jaar in Utrecht op de dag van het schaap en geit wel weer aardige verrassingen en als het nu verder rustig blijft met de MKZ dan kunnen we met de afdeling misschien wel toch nog een keuring organiseren.

Het werk aan de basis, in de afdelingen dus, vindt hij belangrijk. De nieuwe structuur zoals die door de NOG-hoofdbestuur is voorgesteld, is naar zijn idee dan ook nog niet zo slecht: De afdelingen zijn er om leden op weg te helpen, keuringen te organiseren, aan scholing te doen door lezingen en bedrijfsbezoeken op touw te zetten.
Gelukkig hebben we hier een afdeling (Exloo) met veel jeugdleden, dat is belangrijk met het oog op de toekomst.

Voor de provinciale bonden ziet hij in de toekomst nog maar een marginale rol. De fokgroepen daarentegen vindt hij wel belangrijk. Daarom heeft hij ook, ondanks het feit dat hij liever met geiten bezig is dan bestuurlijk werk te doen, zitting genomen in het bestuur van Fokgroep Wit.
Keurmeester wil hij liever niet worden. Dat kost teveel tijd en die tijd besteedt hij liever echt aan de geiten.
Door Ab Revoort

Dit artikel is verschenen in juni 2001 in "Geitenhouderij".

 

WWW.WITTEGEITEN.ORG