LIEFHEBBERIJ

 

Piet van Haperen
Van jongs af gek op kleine koeikes
 
De passie voor de melkgeit heeft Piet van Haperen te danken aan zijn vader. Met dit verschil dat de zoon zich volop stortte op de fokkerij en verenigingsleven.
De liefhebberij voor koeien werd Piet van Haperen met de paplepel ingegeven. Niet zo maar koeien. Nee, mooie beesten die goed produceerden en dat ook nog eens lang volhielden. Dat was de passie van Piets vader, die een boerenbedrijf runde. Geiten, witte maar wilde, altijd wel een stuk of vijf, hoorden daarbij.

Piet, zo klein als hij was, voelde zich met hart en ziel boer. Stond mee op om vijf uur en identificeerde zich zodanig met zijn vader, dat ook hij een geit wilde. Voor hem zelf. Sikkie werd het, die hij van zijn grote voorbeeld cadeau kreeg.

Als een bestemmingsplan in Breda geen roet in het eten had gegooid, had Piet zeker de boerderij van zijn vader overgenomen. Inclusief de koeien. Plus niet te vergeten de kleine koeikes, de geiten dus. In plaats daarvan moest Piet een ander toekomstperspectief vinden en overbrugde zeven magere jaren zonder geiten.

Tot hij trouwplannen kreeg. Bovenaan zijn verlanglijstje stond de geit. Voor de goede orde: na zijn vrouw en huis natuurlijk. Zodoende was hij in 1973 weer in de gelegenheid om geiten aan te schaffen. Net zoals bij zijn vader waren dat in eerste instantie niet geregistreerde geiten, een hertegeit en een paar dwergen. Van een geitenfokvereniging had hij nog nooit gehoord.

Vriendschap
Het was Jos Govers die Piet erop attent maakte dat even buiten Gilze, de huidige woonplaats van Piet, ook een geitenliefhebber woonde. Kees van Dongen was dat, fokker van Witte melkgeiten en Toggenburgers, tevens voorzitter van geitenfokvereniging St. Anna. Piet en Kees raakten rap aan de praat, hun passie voor de geit zou zich ontwikkelen tot een vriendschap voor het leven. In de stal achter het huis van Kees staan naast zijn Toggenburgers de meeste Witte geiten van Piet.

In 1976 kocht Piet zijn eerste Witte melkgeit, Lisje, gefokt door Marian Siegmund. Uit Lisje fokte Piet Mieke, waarmee hij al meteen beter scoorde dan met de moeder.
Vergeleken met zijn latere fokproducten waren Piets geiten uit de zeventiger jaren wel goed, maar niet zo compleet als die van de tachtiger en negentiger jaren. Ze misten dat laatste beetje om op nationaal niveau goed mee te kunnen.

Nationale titels
De aanzet werd gegeven in 1980 met de aankoop van een lam uit de stal van André Zandee. Ceres Marijke 11 heette ze, de stammoeder van Piets huidige fokkerij.
Voorbeeldige fokkerij, want in de loop van de tijd hebben zijn geiten zestig kampioenschappen behaald (waaronder twee nationale titels), 31 reserve kampioenschappen (waarvan een nationale), vijftien keer slaagde hij 1A te krijgen voor zijn eigenaarsgroep, negen keer scoorden zijn geiten het hoogst voor de beste uier en, om het overzicht compleet te maken, 146 keer werd er een 1A geturfd.

Annemiek, de eerste geit van Piet die nationaal kampioen werd, beschouwt hij als zijn mooiste, omdat ze wat over had, net wat meer uitstraling, zoals aan een eindproduct kleeft.
Piet van Haperen met zijn fokproduct Annemiek, nationaal kampioen 1995.
 
Als het gaat om de productie dan mogen Piets geiten er ook zijn. Drie van zijn fokproducten behaalden het sterpredikaat, twee van zijn geiten overschreden de grens van 10.000 kg melk. Mirande en Marijke (de oude) waren het die in het begin van de negentiger jaren die magische drempel haalden.
Hoe indrukwekkend ook, Piet beleeft tenminste net zoveel genoegen aan het gegeven dat hij sinds 1980 aan de melkcontrole meedoet. Goed begrepen: onafgebroken sinds 1980.

Dat alles geeft nog antwoord op de vraag hoe Piet van Haperen zover is kunnen komen in zijn liefhebberij. Hij heeft zich ten doel gesteld – en is daar nooit van afgeweken – om het meeste aandacht te besteden aan type, uier en benen. Details zijn van veel minder belang voor hem. Ook de valkuil van te veel eigenschappen tegelijkertijd willen verbeteren heeft hij vermeden.
Doortje, Stergeit, tevens de zestigste geit van Piet van Haperen die kampioen is geworden.
 
Drijfveer
Sprekend over genoegen, vanwege dergelijke resultaten denk je meteen de enige drijfveer voor Piets hobby gevonden te hebben. De mensen die Piet ook maar een beetje kennen, kunnen alleen maar zeggen: niets is minder waar.
Zie hem genietend op de fokveedag, met de leden in het stro zittend. Pratend over de aanblik die de geiten geven. En weet hoe hij klaar staat voor iedereen.
Niet dat de competitie geen uitdaging voor hem is. Hij blijft zijn uiterste best doen om zijn geiten zo puik mogelijk te brengen.
Piet geeft daarbij toe dat hij minder, maar toch niet veel minder, geiten zou houden als er geen fokveedagen zouden zijn.

Op deze wijze heeft Piet van Haperen een mooi evenwicht gevonden tussen de sport- en het verenigingsmens in hem. Zijn vereniging St. Anna vaart er in ieder geval wel bij. Sinds 1979 is hij, wederom onafgebroken, secretaris bij deze club. (En zijn kameraad is nog steeds voorzitter.)
Later kwamen daarbij het bestuurslidmaatschap van de Zuid-Nederlandse bond, het lidmaatschap van de keuringscommissie van dezelfde organisatie, het stamboeksecretariaat van de bond, het inspecteur- én het keurmeesterschap.

Sinds het einde van de zeventiger jaren is Piet bevoegd als keurmeester. Hij behoort tot die kleine groep van keurmeesters die veel gevraagd wordt. Wat alleszins begrijpelijk is. Ook in die rol straalt de passie voor geiten voor hem af. Zijn keuringen zijn om die reden alleen al een plezier om te volgen. En leerzaam, want als weinig anderen weet hij duidelijk en gedoceerd over te brengen waarom een geit daar en nergens anders in de rij moet staan.

Sinds kort is het publiek waarmee hij zijn geitenpassie kan delen aanzienlijk uitgebreid: Piet van Haperen pakt de schrijfmachine als Zuid-Nederlands correspondent van het vakblad Geitenhouderij.
Tekst: Bas Bosch

Dit artikel is verschenen in april 2000 in "Geitenhouderij".

 

WWW.WITTEGEITEN.ORG