LIEFHEBBERIJ

 

De liefde voor het fokken heb ik van mijn voorgeslacht
De tweeling van mevrouw Verdoold – Kok uit Polsbroek had exceem. Dat was de reden dat in 1970 besloot een geit te gaan houden, een zwarte Toggenburger.
Vier jaar later kocht ze haar eerste Witte geit, Ricella, wiens voorouders uit Hoogland kwamen. Een naam die inmiddels in heel Nederland bekend is evenals die van Ricella’s eerste dochter Rina. Sindsdien heeft mevrouw Verdoold doorgenummerd. De laatstgeboren Ricella is Ricella 154, en Rina heeft het inmiddels tot 96 vrouwelijke nakomelingen gebracht.
Ook nu nog heeft mevrouw Verdoold alle fokgegevens in haar bezit.

Al jaren staat zij op keuringen aan kop. Tijdens de laatste nationale keuring werd ze met Rina 61 nog reservekampioen.
Waar let zij als doorgewinterde fokker op bij het beoordelen van geiten, hoe komt ze aan zo’n beste melkproductie en hoe selecteert ze bokken voor de fokkerij? Geitenhouderij toog naar de Lopikerwaard en keek de kunst af.
Mevrouw Verdoold – Kok, al jaren aan kop.

Mevrouw Verdoold: “Een topfokker wil ik mezelf niet noemen, zeg maar liever één van de betere. Ik besteed veel tijd aan het bezoeken van andere fokkers en keuringen, de liefde voor het fokken heb ik van mijn voorgeslacht. Als een dier mij interesseert vraag ik steeds naar de voerschema’s en de sterke en zwakke punten. Daarbij let ik op de afstammelingen in mannelijke èn vrouwelijke lijn.
Melkbaarheid is voor mij erg belangrijk.
Qua exterieur let ik op type, de ribwelving, de achterbenen en een sterke bovenbouw. Een Witte geit moet gelijnd zijn. Het zwakste punt in de Nederlandse Witfokkerij is de achterhak, veel geiten staan te steil.

Ik vind trouwens wel dat je moet oppassen dat je niet alleen op de fouten van een dier let. De goede dingen zijn zeker zo belangrijk.
Als ik ergens keur, probeer ik daar ook steeds aandacht aan te besteden.
Keuren doe ik trouwens graag. Een keer of vijf per jaar is prachtig, zeker als je met een goede partner samenwerkt.
Maar ook meedoen aan keuringen hoort erbij. Naar de plaatselijke keuring hier in Lopik neem ik altijd alle dieren mee”.

Rina 61 werd reservekampioen op de nationale keuring

Melk 

Gemiddeld gaven vorig jaar de zestien geiten van mevrouw Verdoold zo’n 4,5 liter met 3,89 vet en 3,41 eiwit. Een mooi resultaat dat niet alleen gehaald wordt door de fokkerij, maar ook door het voer. Hoe ziet het voerschema eruit?
Mevrouw Verdoold: “Ik geef de geiten gemiddeld 1,5 tot 1,7 kilo krachtvoer verdeeld over vier keer per dag. Een speciale brok met veel soja erin. Daarnaast krijgen ze nog wat luzerne, hooi en als het er is vers gras.
De lammeren krijgen tien weken warme melk, op z’n hoogst 1¼ liter en krijgen daarnaast zo vroeg mogelijk brok en hooi. Van darmstoringen heb ik daardoor nooit last.
De melk wordt aan huis verkocht en verder maak ik kaas. Jammer genoeg heb ik geen echt koele opslagruimte, waardoor ik alles jong moet verkopen.
Ricella 46 werd 3 jaar achtereen in 1990, 1991 en 1992 kampioen van de productieklasse en tevens 3 jaar achtereen in dezelfde jaren Algemeen Kampioen van de provincie Utrecht.
In 1991 werd zij ook op de landelijke keuring Kampioen van de productieklasse.
Melkcontrole vind ik erg belangrijk. Sinds 1975 worden alle geiten bemonsterd. Daardoor heb ik in de loop van de jaren een goed inzicht gekregen in de mogelijkheden van mijn geiten.
Met de fokkerij ben ik pas echt vooruit gegaan toen ik zelf een bok ging houden. Mijn eerste eigen bok was Sonja’s Sander en dat was een goede start.
Nu heb ik een bok besproken die een achterkleinzoon van Sander is. Hopelijk boek ik met hem even goede resultaten als met zijn overgrootvader …”

Dit artikel is verschenen in juni 1997 in "Geitenhouderij".

 

WWW.WITTEGEITEN.ORG