DE HOBBYFOKKER AAN HET WOORD

 

Jan de Graaf, Nieuwendijk
Mijn eerste kennismaking met geiten was in de jaren vijftig, in mijn jeugd, omdat de bok van de vereniging Almkerk bij mijn oom de heer W. de Graaf stond. Wanneer het in de dektijd een af en aan rijden van geiten was, stond ik er waarschijnlijk wel eens te dicht bij gezien de reactie van mijn moeder, waarvan ik prompt te horen kreeg, ben je weer bij die stinkbok geweest.
Ook wanneer mijn ouders gingen fietsen, kon ik mijn ogen niet afhouden van deze prachtige dieren, die langs de dijken getuierd stonden.
Het was helemaal feest als wij in Dussen bij Jan Smits terecht kwamen, die een prachtige witte geit had, ik was er dan ook niet weg te slaan.

Ik heb schijnbaar nogal om een geitje gezeurd, want in het voorjaar mocht ik samen met mijn broer een geitje gaan halen.
Het geitje groeide voorspoedig, en werd in de herfst gedekt bij de verenigingsbok, en wierp in het voorjaar twee bokjes, die wij verkochten voor vijftig cent. Om beurten molken wij de geit, en de melk ging naar het varken van mijn vader, die er zo hard van groeide dat het dier een hartstilstand kreeg, uitgerekend een week voor de slacht.
Door de matige belangstelling voor de geit van mijn broer, werd besloten de geit te verkopen, onder hevig protest van mijn kant, maar dat mocht niet baten.
Na diverse pogingen in mijn jeugd om weer een geit op het erf te krijgen, had ik me er maar bij neergelegd dat het pas zover zou komen als ik een huis zou bezitten.

Toen er plannen waren om te gaan trouwen, ben ik op zoek gegaan naar een huis met wat grond en een schuur, wat in 1967 ook gelukt is. Tegelijkertijd keek ik uit naar een geit, wat echter niet eenvoudig was bij ons in de buurt, want de geitehouderij was wel op een historisch dieptepunt was gekomen.
Toen ik echter op 19 april 1968 het huis introk, kocht ik op 20 april een jong geitje voor ƒ 12,50 en vanaf die dag zijn er altijd geiten bij mij op het erf geweest.

Na enkele jaren met het gehoornde witte geitje gefokt te hebben met een wilde bok, kwam de eerste kennismaking met de stamboekfokkerij toen Wim en Gerda Clements mijn buren werden.
Inmiddels had ik er op de markt in Gorinchem een geit bij gekocht, omdat mijn gehoornde geit steeds bokken gaf, en werd er in de herfst naar een stamboekbok uitgekeken, die wij vonden in Giessenburg.
Na een mislukte poging in 1971 om naar een keuring te gaan, omdat wij De Geitehouder wat te laat ontvangen hadden, gingen wij in 1972 vol goede moed naar de keuring in Giessenburg, en met succes, van de twee geiten en drie lammeren werden vier eerste en een tweede prijs behaald.
Maar het meeste trots was ik op mijn gehoornde geit, inmiddels Anja genaamd, die door de keurmeester de heer S. de Jong geprezen werd om haar uitzonderlijk mooi aangesloten breed uier, maar voegde er aan toe de geit kan nooit in het register of stamboek vanwege de hoorns, maar wees zuinig op de geit, want de lammeren kunnen eventueel wel in het register mits ze geen hoorns hebben.

Door het succes was onze belangstelling voor de georganiseerde geitenfokkerij flink toegenomen, en werden wij trouwe bezoekers van de jaarvergaderingen, en van een cursus geiten beoordelen die door de heer de Jong werd gegeven.
Door deze cursus had ik al wat meer kijk op de beoordeling van geiten gekregen, en mijn vermoeden bleek op de keuring dan ook juist, want al mijn eenjarige geiten kregen op de keuring behoorlijke waardering voor type, maar de uiers waren niet om aan te zien.

In dat jaar verhuisde ik van Almkerk naar Nieuwendijk, en was genoodzaakt een aantal geiten weg te doen in verband met te weinig stalruimte. Echter mijn gehoornde geit met het prima uier inmiddels zes jaar, werd aangehouden, die echter nog geen geitelammeren geworpen had.
Er werd een nieuwe stal gebouwd, en tevens werd de overstap naar de Brabantse bond gedaan mede omdat er een zeer goede bok bij Jan en Joke de Bruijn in Molenschot stond, en er weer activiteit bij de vereniging St. Anna in Gilze was gekomen.

In het voorjaar lamde mijn gehoornde geit, die inmiddels via de letter X in het register opgenomen was met drie geitelammeren. Waarmee ik bijzonder succesvol ben geweest, alle drie de geiten werden als eenjarige ingeschreven met AB voor uier.
Met een afstammeling werd ik Brabants kampioen en als tweejarige behaalde deze geit een 1D prijs op de Nationale tentoonstelling.
De nafok was niet zo’n succes, ik heb nooit geen geitje van deze geit gehad.

Door de grote interesse in de geitefokkerij, ben ik verzeild geraakt in verschillende bestuursfuncties, en heb ik de vereniging “De Melkbron”, waarvan ik nog steeds lid ben, mede mogen oprichten.
Ook heb ik het genoegen gehad op een groot aantal op een groot aantal plaatsen in het land te mogen keuren, waar ik een groot aantal vrienden en kennissen aan overgehouden heb.
Keurmeesters Jan de Graaf en Job Bogaard op de Goveka in Gouda.
Ook bij de aanschaf van bokken, die destijds nog van de Provincie of vereniging waren, ben ik vaak bij betrokken geweest, waarbij weleens aardige voorvallen waren.
Bijvoorbeeld toen we de bok Swaechmer Bouke bij Jan Maat in Langzwaag hadden gekocht, en onderweg even bij een friteskraam stopten, en de bokhouder die achterin de bestelwagen bij de bok had gezeten zo terug was voor de drukke friteskraam door de lucht.
Ook werd een Toggenburgerbok door kinderen in Amsterdam aangezien voor een kameel.

Begin jaren tachtig groeide de belangstelling voor de geitehouderij flink in Brabant, en werden er totaal zeven afdelingen opgericht, en werden er veel keuringen georganiseerd, waarbij aanvoeren van honderd of meer geiten geen uitzondering waren.
Het ledental steeg ook fors, maar het verloop was ook groot. Veel mensen die fanatiek begonnen, haakten na enige jaren weer af.
Er zijn echter nog steeds een aantal trouwe geitenfokkers overgebleven.

In die tijd werd ook voorzichtig een start gemaakt door de commerciŽle geitenfokkers, en was er nogal wat animo voor de stamboekfokkerij, waardoor ik met de heer P.A. Bastiaansen nogal wat bedrijfsinschrijvingen heb gedaan. Het waren veel registerinschrijvingen, waar veel werk aan was omdat deze dieren ook getatoeŽerd moesten worden.
Door het plotselinge wegvallen van de heer Bastiaansen, werd besloten een commissie samen te stellen van drie personen, om de werkzaamheden wat te verdelen.

Ook werd er een foktechnisch commissie opgericht van energieke geitenfokkers, die veel onderzoek gedaan hebben naar afstammelingen van bokken, bedrijfskeuringen, en fokwaarde-verwachtingen van bokken. Echter dit heeft niets opgeleverd, door diverse oorzaken, zoals de verminderde belangstelling van de bedrijven voor de stamboekfokkerij, het grote aantal bokken waardoor er te weinig afstammelingen van een bok zijn. Ook worden bokken te snel weer verkocht, zodat de afstammelingen die er nog zijn uit het zicht verdwijnen.
Tevens heb ik er altijd voor gepleit de inschrijvingsnorm voor bokken te verhogen, en bokmoeders alleen met topbokken te paren, om zodoende kwaliteit te verbeteren. De oprichting van de fokgroepen zou hierin een belangrijke rol kunnen spelen.

Ondanks de hoge kosten sta ik geheel achter het gezondheidsprogramma, en is mijn stal al drie jaar certificaatwaardig.

Ook al zijn er soms weleens wat minder prettige ervaringen in de geitenfokkerij, toch blijf ik samen met een aantal trouwe geitenfokkers met plezier doorgaan met het houden van geiten en het organiseren van activiteiten.

Ook kijk ik iedere dag nog met plezier naar deze prachtige dieren, zoals ik ze voor het eerst zag vanuit het kinderzitje op de fiets van mijn vader.

Dit artikel is verschenen in januari 1994 in "De Geitehouder"

 

WWW.WITTEGEITEN.ORG