DE HOBBYFOKKER AAN HET WOORD

 

J. Bindt, Oostzaan
Nu Noord-Holland aan de beurt is, denken we aan dhr. J. Bindt, die duidelijk zijn invloed heeft gehad in de kwaliteit van de huidige Witte geiten.
 
Op deze foto de heer J. Bindt, Oostzaan met zijn echtgenote. Voor hen n van zijn beste melkgeiten.
Foto: Mevr. de Reus
J. Bindt, inmiddels een stukje in de zeventig, woont nog altijd in de boerderij van zijn eigen boerenbedrijf in Oostzaan. Hij is altijd ‘koeboer’ geweest en heeft hard gewerkt op het bedrijf dat nu gerund wordt door zijn kleinzoon.
Toch heeft dit bedrijf hem de aanzet gegeven na de oorlog serieus met de melkgeitenhouderij bezig te zijn. De eerste Witte, toen nog Saanen-geiten, werden gekocht om het probleem van witte diarree bij kalveren te verhelpen. Men wist toen al dat geitenmelk wat gemakkelijker te verteren is dan koemelk en er zodoende een heilzame werking vanuit gaat, daar waar het maag-darmproblemen betreft.
De liefde voor geiten en het hobbymatig houden ervan is eigenlijk al veel eerder begonnen; met een foto van de heer Bindt als driejarig jongetje bij een witte geit bewijst dat.
 
Ook het gericht gaan fokken met de geiten komt voort uit het veebedrijf. Fokken met koeien, naar tentoonstellingen gaan en prijzen winnen hoorde al daarbij.
In 1950 mochten ook de geiten voor het eerst naar de tentoonstelling. Er is af en toe een geit-loze periode geweest, maar als inmiddels echte geitenliefhebber, beviel dat toch heel slecht. Door de heimwee naar nieuwe geiten werden twee Kapittels aangekocht. Dit was het begin van een goede, degelijke en bewust gefokte geitenstapel, waaruit begin jaren ’60 Jacoba 1 werd geboren.
Heel wat Jacoba’s later, is men ruim 10 jaar geleden op aanraden van dhr. Vierbergen begonnen met monsteren van de geiten, met het idee er bokmoeders van te gaan fokken. Daarna zijn pas de Jacobussen ontstaan. Het monsteren van de melk is op dit bedrijf overigens nooit een punt geweest, doordat de monsters gelijk met die van de koeien werden afgenomen en onderzocht.
Jan Bindt toont hier samen met zijn vrouw naast hem,
trots zijn eigenaarsgroep op de tentoonstelling in Purmerend 1991.
   
Vaak wordt gezegd “Fokken is gokken”, maar als we J. Bindt vragen naar het geheim van zijn succesvolle fokkerij dan spreekt hij vrijwel uitsluitend over een goede bok. Massa, volume en type staan voor hem voorop. Zo moeten bok en geit in type en bouw overeenkomen. Bij de geiten wordt streng op de uier en speenplaatsing geselecteerd. De spenen moeten recht naar beneden hangen en ’t liefst iets naar binnen wijzen, zelfs bij lammeren wordt hierop gelet.
De aansluiting van de uier is ook belangrijk, maar ook de bok moet op dit punt scoren. Niet alleen qua vererving, maar ook de balzak van de bok moet goed aangesloten zijn; niet los, maar vast en rond.
Bij het kopen van een bok moet volgens Bindt gelet worden op het dier en niet op de prijs.
Een goede bok is nooit te duur en alleen door strenge selectie op de geiten en het gebruik van een goede bok kunnen goede resultaten behaald worden.
 
Over de kwaliteit van de Noord-Hollandse Witte melkgeiten is dhr. Bindt heel tevreden. Niet in de laatste plaats omdat hij zelf verantwoordelijk is voor een groot deel van de kwaliteitsverbetering binnen dit ras. Toegegeven: Friesland is nog steeds iets beter, zeker ook omdat zij beschikken over een grotere groep topfokkers. Dat wil zeggen niet alleen goede kwaliteit, maar ook meer breedte in het erfelijk- en fokmateriaal.
De kwaliteit treft men in het algemeen op de wat kleinere bedrijven. Grote melkerijen letten nu eenmaal in het bijzonder op de productie en “veel melk en mooi wezen gaat niet samen”.
Verder is het fokken van n of enkele kwalitatief goede geiten wel leuk, maar voor deze fokker zijn ook de drietallen minstens zo belangrijk. Dit getuigt van gelijkvormigheid binnen de koppel, een teken van een consequent fokbeleid.
Dit zijn de kampioen en reservekampioen 3 en 4-jarigen in Opmeer, 3 augustus 1992.
Het zijn Annetje 9 van A. Hoogland, Avenhorn en Jacoba 156 van J. Bindt, Oostzaan
Foto: M. Zwetsloot
Na al deze positieve ontwikkelingen zegt J. Bindt nogal somber te zijn over de toekomst van de geitenhouderij. Als agrarir weet hij als geen ander dat de wetten en regels op gebied van de (intensieve) veehouderij steeds verder worden aangescherpt.
Door onder andere de mestwetgeving wordt het houden van dieren steeds verder aan banden gelegd. En dat houdt ook in dat particulieren steeds moeilijker hun dieren kunnen gaan houden.
Verder is niet elke buur binnen of buiten het dorp in de drukke Randstad gediend van een geurende bok of stinkende mestvaalt.
Op zich wel begrijpelijk, maar wel een beperking voor de liefhebber.
Tenslotte is dat ook in veel gevallen een beperking voor de dieren zelf, die niet altijd meer de mogelijkheid hebben overdag naar buiten te kunnen. Bij gebrek aan weiland, of zoals hier, omdat omwonenden nu eenmaal niet weten dat het voeren van bevroren brood of snoeiafval dodelijk kan zijn voor de dieren. Zo erg is gelukkig in de meeste delen van ons land nog niet, maar wel tekenend voor een stukje Randstad.
 
Met dank aan de gastvrijheid bij de familie J. Bindt, Oostzaan, de toonaangevende Witfokkerij uit Noord-Holland, waar wij vriendelijk ontvangen zijn.
Y. Hoekstra en S. van Gog

Dit artikel is verschenen in januari 1993 in "De Geitehouder"

 

WWW.WITTEGEITEN.ORG